RvVb velt eerste schorsingsarrest bij UDN

24 maart 2015

Sedert 1 januari 2015 kan de rechtzoekende, naar het model van de bestaande gelijknamige procedure bij de Raad van State, ook bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen “bij uiterst dringende noodzakelijkheid” (UDN) de schorsing van een vergunningsbeslissing vorderen. Het betreft een spoedprocedure die kan aangewend worden wanneer de spoedeisendheid van die aard is dat zelfs een reguliere schorsingsprocedure te laat zou komen.In het kader van dergelijke procedure bij UDN kan de RvVb de schorsing bevelen, zelfs zonder dat de partijen of sommige van hen gehoord zijn. In dit geval worden in het arrest dat de voorlopige schorsing beveelt, de partijen binnen drie dagen opgeroepen om te verschijnen voor de kamer die uitspraak doet over de bevestiging van de schorsing.

Sedert 1 januari 2015 werden een aantal vorderingen tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid ingediend, die evenwel telkens werden afgewezen. Door de RvVb werd bij de beoordeling van de “uiterst dringende noodzakelijkheid” onder meer rekening gehouden met de haast die de verzoeker aan de dag had gelegd. De hoogdringendheid mag immers niet (mee) veroorzaakt zijn door een te lakse houding van de verzoekende partij.

Bij arrest van 24 maart 2015 gaat de RvVb voor het eerst over tot de schorsing in het kader van een spoedprocedure bij UDN. Op vordering van een buurtbewoonster bijgestaan door ons kantoor, schorst de RvVb de bouwvergunning voor een rusthuiscomplex in Tervuren. De meest relevante motieven van het arrest luiden:

“Anders dan de verwerende partij voorhoudt, is de Raad van oordeel dat de verzoekende partij niet kan verweten worden dat zij niet met de gepaste diligentie zou gehandeld hebben. Hoewel de datum van de kennisgeving van de bestreden beslissing, de datum van de aanplakking en de potentiële uitvoerbaarheid van de bestreden beslissing die hieruit in toepassing van artikel 4 7.23, §5, eerste lid VCRO voortvloeit ontegensprekelijk betekenisvol zijn bij de beoordeling van de vraag of de verzoekende partij met gepaste spoed is opgetreden, hoeft het tijdsverloop tussen vernielde ijkpunten niet per definitie tot de conclusie te leiden dat de verzoekende partij de uiterst dringende noodzakelijkheid zelf in de hand heeft gewerkt dan wel zelf nadelig heeft beïnvloed.

De vanzelfsprekende terughoudendheid die van een verzoekende partij mag worden verwacht bij het aanwenden van de procedure wegens uiterst dringende noodzakelijkheid, impliceert tevens dat zij evenmin al te voortvarend optreedt, op het gevaar af geconfronteerd te worden met de vaststelling dat uit de concrete omstandigheden van het dossier blijkt dat er geen sprake is van enige uiterst dringende noodzakelijkheid, en aldus haar vordering dreigt afgewezen te zien. Bij dit alles mag artikel 4.6.2. §1, eerste lid, 1 en §1, tweede lid VCRO betreffende de geldingsduur van stedenbouwkundige vergunningen overigens niet uit het oog verloren worden.

In zoverre de eerste belanghebbende in het kader van de schorsingsprocedure tegen de beslissing van 6 september 2012 te kennen gaf geen aanvang te zullen nemen met de werken in afwachting van een uitspraak van de Raad over de vordering tot vernietiging van vermelde beslissing, kon de verzoekende partij, gegeven de concrete omstandigheden van het dossier, er van uitgaan dat haar vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging en tot vernietiging van de thans bestreden beslissing van 6 februari 2015. in redelijkheid kon volstaan om haar belangen veilig te stellen.

[…]

Hoewel de eerste belanghebbende kan bijgetreden worden wanneer zij aanvoert dat, gegeven de omvang van het project, de voltooiing van de werken niet onmiddellijk in het vooruitzicht kan gesteld worden en het gros van de door de verzoekende partij aangehaalde nadelige gevolgen in voorkomend geval opgevangen zouden kunnen worden middels de behandeling van de reguliere vordering tot schorsing, doet dit naar het oordeel van de Raad geen afbreuk van het feit dat toch sprake is van een uiterst dringende noodzakelijkheid.

Zonder de regelmatigheid van de in de bestreden beslissing vervatte ‘watertoets’ ter discussie te stellen, laat staan ter zake een voorbarige uitspraak te willen doen, Is de Raad van oordeel dat de vrees van de verzoekende partij dat de tenuitvoerlegging van de werken mogelijk schadelijke gevolgen kan hebben voor de waterhuishouding in het algemeen en voor haar perceel in het bijzonder, niet als louter hypothetisch kan worden a1edaan.

De vaststelling dat de projectzone voor het grootste gedeelte in ‘mogelijk overstromingsgevoelig gebied’ moet worden gesitueerd, de omstandigheid dat een, volgens de bewoordingen van de bestreden beslissing, aanzienlijk keldervolume wordt voorzien en de hiermee gepaard gaande bronbemaling volstaan om tot het bestaan van een uiterst dringende noodzakelijkheid in hoofde van de verzoekende partij te besluiten. Het feit dat de graafwerken met het oog op de aanleg van het keldervolume, evenals de bronbemaling, quasi onvermijdelijk eerst dienen uitgevoerd te worden, lijken voorgaande vaststellingen, gelet op de concrete omstandigheden van het dossier en rekening houdend met de gegevens waarmee de Raad thans acht kan slaan, alleen maar te versterken.”

Het is nu aan de vergunningverlenende overheid of de vergunninghouder om tijdig de voortzetting van het geding te vragen, waarna de RvVb verder uitspraak zal doen over het beroep tot nietigverklaring. In tussentijd is de vergunning geschorst, en mogen er dus geen werken uitgevoerd worden.